Learn Dutch
B1 · Adjectives & articles

Weather and nature

stormy, sunny, muddy, hilly: describing the outdoors.

  1. Het was een ___ herfst, de bomen waren al kaal in oktober. (koud)
  2. Vandaag is het prachtig ___ , geen wolkje te zien. (zonnig)
  3. Na de storm werd het ___ op het plein. (modderig)
  4. In Limburg is het landschap heel ___ . (heuvelig)
  5. Er was een ___ storm over de kust vandaan. (zwaar)
  6. Het is prachtig ___ , zonnig en zacht, ideaal voor een wandeling. (weer)
  7. De lucht is ___ en de zeevogels vliegen laag. (stormig)
  8. In het voorjaar is het park het ___ , alles bloeit. (mooi)
  9. Het bos is heel ___ , je ziet er geen enkele boom. (donker)
  10. De zee was vandaag heel ___ , er waren hoge golven. (ruig)
  11. Het rivierwater is laag in de zomer, het is dan ___ . (modderig)
  12. Het gras is doornat door de regen, het is ___ . (nat)