B1 · Adjectives & articles
Weather and nature
stormy, sunny, muddy, hilly: describing the outdoors.
- Het was een ___ herfst, de bomen waren al kaal in oktober. (koud)
- Vandaag is het prachtig ___ , geen wolkje te zien. (zonnig)
- Na de storm werd het ___ op het plein. (modderig)
- In Limburg is het landschap heel ___ . (heuvelig)
- Er was een ___ storm over de kust vandaan. (zwaar)
- Het is prachtig ___ , zonnig en zacht, ideaal voor een wandeling. (weer)
- De lucht is ___ en de zeevogels vliegen laag. (stormig)
- In het voorjaar is het park het ___ , alles bloeit. (mooi)
- Het bos is heel ___ , je ziet er geen enkele boom. (donker)
- De zee was vandaag heel ___ , er waren hoge golven. (ruig)
- Het rivierwater is laag in de zomer, het is dan ___ . (modderig)
- Het gras is doornat door de regen, het is ___ . (nat)