Learn Dutch
B1 · Adjectives & articles

Devices and technology

Modern, faulty, wireless, user-friendly: the gadgets.

  1. Deze telefoon is al tien jaar ___ . (verouderd)
  2. De printer doet het al een week niet meer, hij is ___ . (defect)
  3. Deze app is heel ___ , ook je oma kan er mee overweg. (gebruiksvriendelijk)
  4. Met deze ___ oplossing werkt de site veel sneller. (slim)
  5. Onze oude laptop is zo ___ dat hij bijna niet meer opstart. (traag)
  6. Deze koptelefoon is helemaal ___ , er zit geen draad aan. (draadloos)
  7. Het is een ___ apparaat, je kunt het meenemen naar buiten. (draagbaar)
  8. De accu van mijn laptop is al bijna ___ . (leeg)
  9. Onze nieuwe software is veel ___ dan de oude. (snel)
  10. De batterij is al ___ , je moet hem opladen. (dood)
  11. Dit is het ___ systeem van de gemeente, alles staat erop. (modern)
  12. De server is al een tijdje ___ , hij moet opnieuw gestart worden. (onstabiel)