Learn Dutch
B1 · Adjectives & articles

Transport and traffic

Fast, crowded, punctual, slippery: getting around.

  1. De trein naar Amsterdam is heel ___ , je bent er in een uur. (snel)
  2. De bus naar het station was vandaag erg ___ . (vol)
  3. De Nederlandse trein is meestal heel ___ . (punctueel)
  4. Het wegdek was glad, het was een ___ weg. (glad)
  5. Fietsen zijn in deze stad het ___ vervoermiddel. (populair)
  6. We hebben een ___ kaartje voor de trein gekocht. (goedkoop)
  7. Deze bus is ___ , hij rijdt altijd precies op tijd. (betrouwbaar)
  8. Op de ringweg is het altijd druk en ___ . (traag)
  9. Het fietspad in dat dorp is heel ___ , het is smal en vol kuilen. (ononderhouden)
  10. Een ___ fiets is in de stad sneller dan een auto. (elektrische)
  11. Er stond een ___ file op de A12. (enorm)
  12. De bus naar het dorp rijdt maar één keer per dag, dat is heel ___ . (weinig)