B1 · Adjectives & articles
Transport and traffic
Fast, crowded, punctual, slippery: getting around.
- De trein naar Amsterdam is heel ___ , je bent er in een uur. (snel)
- De bus naar het station was vandaag erg ___ . (vol)
- De Nederlandse trein is meestal heel ___ . (punctueel)
- Het wegdek was glad, het was een ___ weg. (glad)
- Fietsen zijn in deze stad het ___ vervoermiddel. (populair)
- We hebben een ___ kaartje voor de trein gekocht. (goedkoop)
- Deze bus is ___ , hij rijdt altijd precies op tijd. (betrouwbaar)
- Op de ringweg is het altijd druk en ___ . (traag)
- Het fietspad in dat dorp is heel ___ , het is smal en vol kuilen. (ononderhouden)
- Een ___ fiets is in de stad sneller dan een auto. (elektrische)
- Er stond een ___ file op de A12. (enorm)
- De bus naar het dorp rijdt maar één keer per dag, dat is heel ___ . (weinig)