Learn Dutch
B1 · Adjectives & articles

Clothes and shoes

Tight, comfortable, worn out, fashionable: what you wear.

  1. Deze jas is te koud, ik heb een ___ jas nodig. (warme)
  2. Deze schoenen zijn heel ___ , ik loop de hele dag zonder pijn. (comfortabel)
  3. Mijn jeans zijn ___ , ze zien er oud uit. (versleten)
  4. Die trui is mij ___ , de armen zijn te kort. (te)
  5. Deze rok is ___ , ik kan er niet mee lopen. (te krap)
  6. Zij draagt alleen maar ___ kleding, ze houdt van zwarte jurken. (eenvoudig)
  7. Die jas is heel ___ , hij is nog van tien jaar geleden. (verouderd)
  8. Het is een ___ kleur, maar ik vind hem mooi. (loud)
  9. Mijn jas is aan de kant ___ , hij is heel oud geworden. (geraakt)
  10. Zij droeg een ___ jurk van een klein winkelmerk. (goedkoop)
  11. Deze sjaal is heel ___ , je kunt hem om de nek en om de schouders. (warm)
  12. De mode hier is heel ___ , veel kleuren en dikke kettingen. (kleurrijk)