B1 · Adjectives & articles
Clothes and shoes
Tight, comfortable, worn out, fashionable: what you wear.
- Deze jas is te koud, ik heb een ___ jas nodig. (warme)
- Deze schoenen zijn heel ___ , ik loop de hele dag zonder pijn. (comfortabel)
- Mijn jeans zijn ___ , ze zien er oud uit. (versleten)
- Die trui is mij ___ , de armen zijn te kort. (te)
- Deze rok is ___ , ik kan er niet mee lopen. (te krap)
- Zij draagt alleen maar ___ kleding, ze houdt van zwarte jurken. (eenvoudig)
- Die jas is heel ___ , hij is nog van tien jaar geleden. (verouderd)
- Het is een ___ kleur, maar ik vind hem mooi. (loud)
- Mijn jas is aan de kant ___ , hij is heel oud geworden. (geraakt)
- Zij droeg een ___ jurk van een klein winkelmerk. (goedkoop)
- Deze sjaal is heel ___ , je kunt hem om de nek en om de schouders. (warm)
- De mode hier is heel ___ , veel kleuren en dikke kettingen. (kleurrijk)