B1 · Adjectives & articles
Furniture and the home
Comfortable, wobbly, valuable, empty: the things in a house.
- Deze bank is heel ___ , je kunt er hele middagen op zitten. (comfortabel)
- Het tafeltje wankelt, het is nogal ___ . (wankel)
- Het oude schilderij is heel ___ , het komt uit 1850. (waardevol)
- De kamer was helemaal ___ , er stond alleen een tafel. (leeg)
- Mijn grootmoeder heeft een ___ stoel uit het jaar 1930. (antiek)
- Deze ___ kast staat al generaties in de familie. (eiken)
- De tafel is helemaal ___ , je kunt hem niet meer gebruiken. (verrot)
- We hebben een ___ vloer gekozen, gemakkelijk schoon te maken. (glad)
- De boekenplank is zwaar, maar hij is heel ___ . (sterk)
- Deze lamp is echt ___ , hij flikkert de hele avond. (onbetrouwbaar)
- Het bed is ___ , je ligt er heerlijk op. (zacht)
- De kast is ___ klein, er past niets meer bij. (te)