Learn Dutch
B1 · Adjectives & articles

Furniture and the home

Comfortable, wobbly, valuable, empty: the things in a house.

  1. Deze bank is heel ___ , je kunt er hele middagen op zitten. (comfortabel)
  2. Het tafeltje wankelt, het is nogal ___ . (wankel)
  3. Het oude schilderij is heel ___ , het komt uit 1850. (waardevol)
  4. De kamer was helemaal ___ , er stond alleen een tafel. (leeg)
  5. Mijn grootmoeder heeft een ___ stoel uit het jaar 1930. (antiek)
  6. Deze ___ kast staat al generaties in de familie. (eiken)
  7. De tafel is helemaal ___ , je kunt hem niet meer gebruiken. (verrot)
  8. We hebben een ___ vloer gekozen, gemakkelijk schoon te maken. (glad)
  9. De boekenplank is zwaar, maar hij is heel ___ . (sterk)
  10. Deze lamp is echt ___ , hij flikkert de hele avond. (onbetrouwbaar)
  11. Het bed is ___ , je ligt er heerlijk op. (zacht)
  12. De kast is ___ klein, er past niets meer bij. (te)