B1 · Adjectives & articles
Animals
Aggressive, tame, fluffy, wild: describing animals.
- Die ___ hond blaft de hele dag door. (agressief)
- Het konijn is heel ___ , het komt vanzelf naar je toe. (tam)
- Onze kat is heel ___ , hij heeft een dikke vacht. (pluizig)
- In het park leven ___ dieren, zoals herten en reeën. (wild)
- Die slang is ___ , hij heeft giftige tanden. (giftig)
- Mijn hond is heel ___ , hij blaft bij elke postbode. (wantrouwend)
- Er zaten veel ___ vogels op de takken. (wild)
- Het paard is ___ , je kunt het van dichtbij bekijken. (tam)
- Deze ___ kat heeft negen levens, zeggen ze. (nieuwsgierig)
- Het zeenier is ___ en sterk, het kan lange tijd zonder eten. (volhardend)
- Mijn vogel is heel ___ , hij zingt de hele dag. (gezellig)
- Die vogel is zeldzaam en dus erg ___ . (kwetsbaar)