Learn Dutch
B1 · Adjectives & articles

Animals

Aggressive, tame, fluffy, wild: describing animals.

  1. Die ___ hond blaft de hele dag door. (agressief)
  2. Het konijn is heel ___ , het komt vanzelf naar je toe. (tam)
  3. Onze kat is heel ___ , hij heeft een dikke vacht. (pluizig)
  4. In het park leven ___ dieren, zoals herten en reeën. (wild)
  5. Die slang is ___ , hij heeft giftige tanden. (giftig)
  6. Mijn hond is heel ___ , hij blaft bij elke postbode. (wantrouwend)
  7. Er zaten veel ___ vogels op de takken. (wild)
  8. Het paard is ___ , je kunt het van dichtbij bekijken. (tam)
  9. Deze ___ kat heeft negen levens, zeggen ze. (nieuwsgierig)
  10. Het zeenier is ___ en sterk, het kan lange tijd zonder eten. (volhardend)
  11. Mijn vogel is heel ___ , hij zingt de hele dag. (gezellig)
  12. Die vogel is zeldzaam en dus erg ___ . (kwetsbaar)