Learn Dutch
B1 · Adjectives & articles

Colour adjectives

Light blue, dark green, pale yellow, bright red.

  1. Zij droeg een ___ jurk die paste bij haar haar. (lichtblauw)
  2. Het bos is ___ in het najaar, de bomen worden rood. (donkergroen)
  3. De muren van de kamer zijn ___ , het is een zonnige kamer. (lichtgeel)
  4. Deze ___ deur trekt meteen de aandacht. (helderrood)
  5. Zij heeft ___ haar, bijna zwart van kleur. (donkerblond)
  6. Het gras in het park is in mei ___ . (felgroen)
  7. De oude dorpsstraat is grijs, het is er altijd ___ . (grauw)
  8. Deze ___ stoelen passen precies bij de tafel. (zwart-wit)
  9. Het haar van het meisje is ___ , bijna wit. (zilverkleurig)
  10. De vogel heeft een ___ borst en een zwarte kop. (oranje)
  11. Deze jurk is niet ___ , hij is donkerblauw. (licht)
  12. De bliksem was een ___ flits, het was opeens helderdag. (witte)