B1 · Adjectives & articles
Colour adjectives
Light blue, dark green, pale yellow, bright red.
- Zij droeg een ___ jurk die paste bij haar haar. (lichtblauw)
- Het bos is ___ in het najaar, de bomen worden rood. (donkergroen)
- De muren van de kamer zijn ___ , het is een zonnige kamer. (lichtgeel)
- Deze ___ deur trekt meteen de aandacht. (helderrood)
- Zij heeft ___ haar, bijna zwart van kleur. (donkerblond)
- Het gras in het park is in mei ___ . (felgroen)
- De oude dorpsstraat is grijs, het is er altijd ___ . (grauw)
- Deze ___ stoelen passen precies bij de tafel. (zwart-wit)
- Het haar van het meisje is ___ , bijna wit. (zilverkleurig)
- De vogel heeft een ___ borst en een zwarte kop. (oranje)
- Deze jurk is niet ___ , hij is donkerblauw. (licht)
- De bliksem was een ___ flits, het was opeens helderdag. (witte)