Learn Dutch
B1 · Adjectives & articles

Material adjectives

houten, stenen, ijzeren, wollen: what is it made of?

  1. De kast is van ___ , je ziet de nerf overal. (houten)
  2. De vloer van de gang is van ___ , hij is heel koud. (stenen)
  3. Dit hek is van ___ , het is oud maar sterk. (ijzeren)
  4. Ze draagt een ___ trui, die is warm. (wollen)
  5. Het voorwerp op de tafel is van ___ , het is heel zwaar. (metalen)
  6. De deur van de tuin is van ___ , ze sluit niet goed. (houten)
  7. Deze tafel is van glas en de stoelen zijn van ___ . (kunststof)
  8. De brug over de gracht is van ___ , hij dateert uit 1600. (stenen)
  9. Mijn telefoonhoes is van ___ , ik vind het mooi. (houten)
  10. Deze ___ ring is een cadeau van mijn oma. (gouden)
  11. Het dak van de schuur is van ___ , het regent er niet in. (houten)
  12. Deze ___ jurk is van pure wol. (wollen)