B1 · Adjectives & articles
Material adjectives
houten, stenen, ijzeren, wollen: what is it made of?
- De kast is van ___ , je ziet de nerf overal. (houten)
- De vloer van de gang is van ___ , hij is heel koud. (stenen)
- Dit hek is van ___ , het is oud maar sterk. (ijzeren)
- Ze draagt een ___ trui, die is warm. (wollen)
- Het voorwerp op de tafel is van ___ , het is heel zwaar. (metalen)
- De deur van de tuin is van ___ , ze sluit niet goed. (houten)
- Deze tafel is van glas en de stoelen zijn van ___ . (kunststof)
- De brug over de gracht is van ___ , hij dateert uit 1600. (stenen)
- Mijn telefoonhoes is van ___ , ik vind het mooi. (houten)
- Deze ___ ring is een cadeau van mijn oma. (gouden)
- Het dak van de schuur is van ___ , het regent er niet in. (houten)
- Deze ___ jurk is van pure wol. (wollen)