Learn Dutch
B1 · Adjectives & articles

zeer and its alternatives

zeer, erg, heel, bijzonder, ontzettend: how strong is the adjective?

  1. Hij is ___ bezig met het project, hij werkt dag en nacht. (zeer)
  2. Deze oefening is ___ moeilijk, ik heb drie weken nodig gehad. (zeer)
  3. We hebben ___ veel mensen op de markt gezien. (zeer)
  4. Dat is ___ , precies wat ik altijd al wilde zeggen. (bijzonder)
  5. Het verkeer was ___ , er stond helemaal niets meer. (ontzettend)
  6. Ik vind het spel heel ___ , het duurde uren. (vervelend)
  7. Hij is ___ , hij vergeet altijd alles. (vergeetachtig)
  8. De prijs was ___ , hij had het nooit verwacht. (onverwacht)
  9. We zijn ___ trots op ons dochtertje. (erg)
  10. Die film was ___ , ik heb bijna een uur gehuild. (aangrijpend)
  11. Hij is ___ , hij zegt precies wat hij denkt. (openlijk)
  12. De sfeer in het restaurant was ___ , iedereen had een goed gevoel. (gezellig)