B1 · Adjectives & articles
zeer and its alternatives
zeer, erg, heel, bijzonder, ontzettend: how strong is the adjective?
- Hij is ___ bezig met het project, hij werkt dag en nacht. (zeer)
- Deze oefening is ___ moeilijk, ik heb drie weken nodig gehad. (zeer)
- We hebben ___ veel mensen op de markt gezien. (zeer)
- Dat is ___ , precies wat ik altijd al wilde zeggen. (bijzonder)
- Het verkeer was ___ , er stond helemaal niets meer. (ontzettend)
- Ik vind het spel heel ___ , het duurde uren. (vervelend)
- Hij is ___ , hij vergeet altijd alles. (vergeetachtig)
- De prijs was ___ , hij had het nooit verwacht. (onverwacht)
- We zijn ___ trots op ons dochtertje. (erg)
- Die film was ___ , ik heb bijna een uur gehuild. (aangrijpend)
- Hij is ___ , hij zegt precies wat hij denkt. (openlijk)
- De sfeer in het restaurant was ___ , iedereen had een goed gevoel. (gezellig)