Learn Dutch
B1 · Adjectives & articles

Tegenwoordig and the present moment

eigenlijk, plotseling, voortaan: adjectives that mark the moment.

  1. Eigenlijk is het restaurant altijd al heel ___ . (goedkoop)
  2. Tegenwoordig is het in de buurt steeds ___ . (duur)
  3. Plotseling was de zaal helemaal ___ . (stil)
  4. Voortaan moeten we allemaal online ___ . (boeken)
  5. Tegenwoordig ___ veel mensen op de fiets naar het werk. (gaan)
  6. Opeens begon het te ___ . (regenen)
  7. Tegenwoordig heet dat sporthuis het ___ . (buurthuis)
  8. Vroeger was dat een ___ dorp, nu woont er niemand meer. (boerderij)
  9. ___ heb ik er geen idee van hoe dat werkt. (echt)
  10. Tegenwoordig is het in het centrum heel ___ , alles is te duur. (druk)
  11. De situatie is ___ , we moeten er even over praten. (ernstig)
  12. Tegenwoordig ___ veel kinderen online, het is echt veranderd. (zijn)