B1 · Adjectives & articles
Tegenwoordig and the present moment
eigenlijk, plotseling, voortaan: adjectives that mark the moment.
- Eigenlijk is het restaurant altijd al heel ___ . (goedkoop)
- Tegenwoordig is het in de buurt steeds ___ . (duur)
- Plotseling was de zaal helemaal ___ . (stil)
- Voortaan moeten we allemaal online ___ . (boeken)
- Tegenwoordig ___ veel mensen op de fiets naar het werk. (gaan)
- Opeens begon het te ___ . (regenen)
- Tegenwoordig heet dat sporthuis het ___ . (buurthuis)
- Vroeger was dat een ___ dorp, nu woont er niemand meer. (boerderij)
- ___ heb ik er geen idee van hoe dat werkt. (echt)
- Tegenwoordig is het in het centrum heel ___ , alles is te duur. (druk)
- De situatie is ___ , we moeten er even over praten. (ernstig)
- Tegenwoordig ___ veel kinderen online, het is echt veranderd. (zijn)