Learn Dutch
B1 · Adjectives & articles

heel and the adjective

heel before the adjective: een heel mooie kamer, een heel klein huis.

  1. Het is ___ koud buiten, je kunt niet zonder jas. (heel)
  2. We hebben een ___ kamer gemaakt, de oude was te klein. (mooi)
  3. Mijn huis is ___ klein, drie personen passen er niet in. (klein)
  4. Deze taal is ___ , ik leer elke dag een nieuw woord. (leuk)
  5. De opdracht was niet ___ , ik had hem sneller kunnen doen. (moeilijk)
  6. We hebben alleen ___ water in huis, we moeten water halen. (weinig)
  7. Die jas is ___ duur voor mijn budget. (duur)
  8. Zij is ___ , ze heeft het hele weekend door gewerkt. (moe)
  9. Die wedstrijd was ___ , de spanning zat er goed in. (spannend)
  10. Ik heb ___ kaas voor de pizza, genoeg voor drie personen. (veel)
  11. Deze berg is ___ , met de fiets gaan we echt niet omhoog. (steil)
  12. Het is ___ , we hebben de hele ochtend nergens anders over gepraat. (helemaal)