B1 · Adjectives & articles
heel and the adjective
heel before the adjective: een heel mooie kamer, een heel klein huis.
- Het is ___ koud buiten, je kunt niet zonder jas. (heel)
- We hebben een ___ kamer gemaakt, de oude was te klein. (mooi)
- Mijn huis is ___ klein, drie personen passen er niet in. (klein)
- Deze taal is ___ , ik leer elke dag een nieuw woord. (leuk)
- De opdracht was niet ___ , ik had hem sneller kunnen doen. (moeilijk)
- We hebben alleen ___ water in huis, we moeten water halen. (weinig)
- Die jas is ___ duur voor mijn budget. (duur)
- Zij is ___ , ze heeft het hele weekend door gewerkt. (moe)
- Die wedstrijd was ___ , de spanning zat er goed in. (spannend)
- Ik heb ___ kaas voor de pizza, genoeg voor drie personen. (veel)
- Deze berg is ___ , met de fiets gaan we echt niet omhoog. (steil)
- Het is ___ , we hebben de hele ochtend nergens anders over gepraat. (helemaal)