B1 · Adjectives & articles
echt and waar
echt, werkelijk, echt waar: really and truly.
- Die schoenen zijn echt ___ , ze kosten zevenhonderd euro. (duur)
- Is het echt ___ dat de trein al vertrokken is? (waar)
- Deze winkel is een echt ___ , ik koop er nooit iets. (uitstap)
- Hij was echt ___ , hij had de sleutel kwijtgemaakt. (vergeten)
- Die schilderij is werkelijk ___ , het is een meesterwerk. (prachtig)
- Dat is toch echt ___ , hoe kan dat? (raar)
- We aten in een echt ___ restaurant, het was werkelijk fantastisch. (Italiaans)
- Het was werkelijk ___ , iedereen zweeg. (stil)
- Hij praat echt ___ , hij stottert de hele tijd. (onduidelijk)
- Dat was een echt ___ voorbeeld van teamwork. (goed)
- Echt ___ , hij kan toch niet alles weten. (waar)
- Die muziek is werkelijk ___ , hij luistert het de hele dag. (mooi)