Learn Dutch
B1 · Adjectives & articles

echt and waar

echt, werkelijk, echt waar: really and truly.

  1. Die schoenen zijn echt ___ , ze kosten zevenhonderd euro. (duur)
  2. Is het echt ___ dat de trein al vertrokken is? (waar)
  3. Deze winkel is een echt ___ , ik koop er nooit iets. (uitstap)
  4. Hij was echt ___ , hij had de sleutel kwijtgemaakt. (vergeten)
  5. Die schilderij is werkelijk ___ , het is een meesterwerk. (prachtig)
  6. Dat is toch echt ___ , hoe kan dat? (raar)
  7. We aten in een echt ___ restaurant, het was werkelijk fantastisch. (Italiaans)
  8. Het was werkelijk ___ , iedereen zweeg. (stil)
  9. Hij praat echt ___ , hij stottert de hele tijd. (onduidelijk)
  10. Dat was een echt ___ voorbeeld van teamwork. (goed)
  11. Echt ___ , hij kan toch niet alles weten. (waar)
  12. Die muziek is werkelijk ___ , hij luistert het de hele dag. (mooi)