Learn Dutch
B1 · Adjectives & articles

Wat voor een, wat een

Asking about a kind: wat voor een boek is dat?

  1. Wat voor een ___ hebt je gekocht, dat ziet er duur uit? (spullen)
  2. Wat voor een ___ boek lees je toch, het duurt uren lang? (oud)
  3. Wat voor een ___ winkel is dat, ik ken die nog niet? (klein)
  4. Wat voor een ___ taal leer je daar eigenlijk? (modern)
  5. Wat voor een ___ programma kijk je toch op dinsdag? (soort)
  6. Wat een ___ uitspraak, hij spreekt echt Nederlands met accenten! (grappige)
  7. Wat een ___ , hij heeft het helemaal vergeten! (nuis)
  8. Wat voor een ___ werk deed je daar vorig jaar? (werk)
  9. Wat voor een ___ vriend heb je gemaakt, hij klinkt aardig? (Engels)
  10. Wat een ___ begin van het jaar, alles begint met goede voornemens! (moeilijk)
  11. Wat voor een ___ overheid is dit eigenlijk? (instantie)
  12. Wat een ___ verrassing, niemand had dit kunnen voorspellen! (aardige)