B1 · Adjectives & articles
Comparative plus than
Adjectives after dan: a complete comparison in one phrase.
- Mijn fiets is niet ___ dan die van mijn buurman. (goedkoop)
- Het huis is groter ___ het huis ernaast. (dan)
- Deze winkel is duurder ___ de supermarkt aan de overkant. (dan)
- We hebben een rustiger ___ het buurthuis van jullie. (dan)
- Hij werkt harder ___ zijn collega, hij krijgt ook meer loon. (dan)
- Mijn mening is niet ___ dan die van de gemeente. (goed)
- De prijzen zijn nog ___ dan vorig jaar, dat is zeker. (hoog)
- Deze taal is niet zo moeilijk ___ u denkt. (als)
- Hij heeft meer ___ zijn broer, hij is ook ouder. (dan)
- De buurt is kleurrijker ___ de wijk eromheen. (dan)
- Deze oplossing is niet beter ___ de vorige. (dan)
- Ons voorstel is duidelijk ___ het voorstel van de gemeente. (dan)