Learn Dutch
B1 · Adjectives & articles

Comparative plus than

Adjectives after dan: a complete comparison in one phrase.

  1. Mijn fiets is niet ___ dan die van mijn buurman. (goedkoop)
  2. Het huis is groter ___ het huis ernaast. (dan)
  3. Deze winkel is duurder ___ de supermarkt aan de overkant. (dan)
  4. We hebben een rustiger ___ het buurthuis van jullie. (dan)
  5. Hij werkt harder ___ zijn collega, hij krijgt ook meer loon. (dan)
  6. Mijn mening is niet ___ dan die van de gemeente. (goed)
  7. De prijzen zijn nog ___ dan vorig jaar, dat is zeker. (hoog)
  8. Deze taal is niet zo moeilijk ___ u denkt. (als)
  9. Hij heeft meer ___ zijn broer, hij is ook ouder. (dan)
  10. De buurt is kleurrijker ___ de wijk eromheen. (dan)
  11. Deze oplossing is niet beter ___ de vorige. (dan)
  12. Ons voorstel is duidelijk ___ het voorstel van de gemeente. (dan)