Learn Dutch
B1 · Adjectives & articles

Adjectives with a complement

blij dat, overtuigd van dat, het is belangrijk dat: a clause after.

  1. Ik ben heel ___ dat je dit jaar meegaat. (blij)
  2. Het is ___ dat je op tijd komt, de bus wacht niet. (belangrijk)
  3. We zijn er ___ van dat het plan werkt. (overtuigd)
  4. Is het ___ om dit jaar ook mee te gaan? (mogelijk)
  5. Het was echt ___ dat hij het niet op tijd wist. (jammer)
  6. We vinden het ___ dat je zo lang weg was. (raar)
  7. Het is niet ___ om dit jaar geen vakantie te hebben. (nodig)
  8. Ik ben er ___ van dat hij niet komt. (zeker)
  9. Het was moeilijk ___ te begrijpen wat hij bedoelde. (om)
  10. Het zou ___ zijn dat iedereen meegaat. (fijn)
  11. Vind je het ___ dat hij zo laat nog belt? (normaal)
  12. Het is ___ om de aanvraag op tijd in te dienen. (noodzakelijk)