B1 · Adjectives & articles
Adjectives with a complement
blij dat, overtuigd van dat, het is belangrijk dat: a clause after.
- Ik ben heel ___ dat je dit jaar meegaat. (blij)
- Het is ___ dat je op tijd komt, de bus wacht niet. (belangrijk)
- We zijn er ___ van dat het plan werkt. (overtuigd)
- Is het ___ om dit jaar ook mee te gaan? (mogelijk)
- Het was echt ___ dat hij het niet op tijd wist. (jammer)
- We vinden het ___ dat je zo lang weg was. (raar)
- Het is niet ___ om dit jaar geen vakantie te hebben. (nodig)
- Ik ben er ___ van dat hij niet komt. (zeker)
- Het was moeilijk ___ te begrijpen wat hij bedoelde. (om)
- Het zou ___ zijn dat iedereen meegaat. (fijn)
- Vind je het ___ dat hij zo laat nog belt? (normaal)
- Het is ___ om de aanvraag op tijd in te dienen. (noodzakelijk)