B1 · Adjectives & articles
Nationality and language adjectives
Nederlands en Nederlandse, Frans en Franse: the -e of a nationality.
- Zij spreekt ___ en Nederlands, ze woont al tien jaar in Amsterdam. (Engels)
- De ___ keuken in dit restaurant is fantastisch. (Grieks)
- Zij is een beroemde ___ schrijfster uit Parijs. (Frans)
- Hij spreekt geen ___ , alleen Nederlands en een beetje Duits. (Engels)
- Mijn dochter heeft een ___ vriendin uit Rome. (Italiaans)
- We kijken naar een ___ film, hij speelt een agent uit Chicago. (Amerikaans)
- Deze serie gaat over het ___ leven, het speelt in de jaren zestig. (Amerikaans)
- Op school leren we ___ , maar het is nog wel lastig. (Duits)
- De keuken is echt ___ , worst en zuurkool zijn klassiekers. (Duits)
- We zoeken een ___ kameraad, iemand die Nederlands spreekt. (Nederlands)
- Hij is van ___ afkomst, hij spreekt thuis Portugees. (Nederlands)
- Dat is een echt ___ restaurant, ze serveren alleen pasta. (Italiaans)