Learn Dutch
B1 · Adjectives & articles

Adjectives with their own preposition

verantwoordelijk voor, geïnteresseerd in, klaar met: a fixed pair.

  1. Hij is verantwoordelijk ___ de administratie van het team. (voor)
  2. Ze is erg geïnteresseerd ___ geschiedenis, ze leest alles. (in)
  3. We zijn klaar ___ het eten, we kunnen gaan. (met)
  4. De tafel stond vol ___ bloemen, het was net een bruiloft. (van)
  5. Mijn zus is jaloers ___ de nieuwe fiets van haar buurman. (op)
  6. Hij is bang ___ om te falen, hij doet alles met voorzichtigheid. (om)
  7. Mijn ouders zijn trots ___ hun dochter, ze studeert geneeskunde. (op)
  8. De klant was zeer ___ met de oplossing, hij bedankte ons hartelijk. (tevreden)
  9. Ze is bekend ___ haar werk, ze schrijft voor een groot tijdschrift. (om)
  10. Wij zijn het ___ met het voorstel, het lijkt ons een goede oplossing. (eens)
  11. Die jas is niet ___ voor een strenge winter. (geschikt)
  12. De huur is ___ voor ons budget, we moeten eerst een jaar sparen. (te)