Learn Dutch
B1 · Adjectives & articles

Adjectives after a quantity

twee grote tassen, een paar nieuwe schoenen: a plural always gets -e.

  1. We kochten twee ___ tassen, de prijs was heel schappelijk. (groot)
  2. Heb je een paar ___ schoenen voor het feest? (nieuw)
  3. In de la liggen drie ___ boeken, die mag je meenemen. (rood)
  4. Wij hebben een ___ huis, het is klein maar gezellig. (mooi)
  5. Er liggen vijf ___ brieven op de mat, de postbode was er vanmorgen. (oud)
  6. Zij heeft ___ parels om haar hals, haar moeder heeft ze gekocht. (mooi)
  7. Er was een ___ menigte op het plein, het was onmogelijk om te lopen. (groot)
  8. Ik heb nog ___ dingen te doen, we moeten opschieten. (veel)
  9. Er lag een ___ hoop papier op het bureau, dat moet weg. (groot)
  10. Er bestaan ___ goede oplossingen, we mogen zelf kiezen. (enkele)
  11. Twee ___ jongens renden over de lijn, de rest mocht nog een keer. (blond)
  12. Er zitten nog ___ mensen in de vergadering, de rest is al weg. (weinig)