B1 · Adjectives & articles
Adjectives after a quantity
twee grote tassen, een paar nieuwe schoenen: a plural always gets -e.
- We kochten twee ___ tassen, de prijs was heel schappelijk. (groot)
- Heb je een paar ___ schoenen voor het feest? (nieuw)
- In de la liggen drie ___ boeken, die mag je meenemen. (rood)
- Wij hebben een ___ huis, het is klein maar gezellig. (mooi)
- Er liggen vijf ___ brieven op de mat, de postbode was er vanmorgen. (oud)
- Zij heeft ___ parels om haar hals, haar moeder heeft ze gekocht. (mooi)
- Er was een ___ menigte op het plein, het was onmogelijk om te lopen. (groot)
- Ik heb nog ___ dingen te doen, we moeten opschieten. (veel)
- Er lag een ___ hoop papier op het bureau, dat moet weg. (groot)
- Er bestaan ___ goede oplossingen, we mogen zelf kiezen. (enkele)
- Twee ___ jongens renden over de lijn, de rest mocht nog een keer. (blond)
- Er zitten nog ___ mensen in de vergadering, de rest is al weg. (weinig)