Learn Dutch
B1 · Adjectives & articles

Endings & iets leuks

-e or not, spelling changes, iets/niets + -s.

  1. We wonen in een ___ huis. (oud)
  2. Het ___ huis op de hoek is verkocht. (oud)
  3. Ik heb iets ___ voor je verjaardag gekocht. (leuk)
  4. Er is vanavond niets ___ op tv. (interessant)
  5. Hij draagt altijd ___ sokken. (wit)
  6. Ze heeft een ___ stem. (mooi)
  7. Dat is een ___ idee! (goed)
  8. We zoeken een ___ oplossing. (creatief)
  9. Ik drink graag ___ melk. (koud)
  10. Mijn ___ broer woont in Canada. (groot)
  11. Heb je nog iets ___ gehoord? (nieuw)
  12. Wat een ___ weer vandaag! (mooi)