Learn Dutch
B1 · Adjectives & articles

Adjectives used as nouns

iets moois, een zachte landing, het mooie van…

  1. De buurt heeft iets ___ voor liefhebbers van markten. (mooi)
  2. Ik vond niets ___ aan het eten in dat restaurant. (bijzonder)
  3. Dat was een ___ landing na een lange dag. (zacht)
  4. Wat was het ___ van het festival? (mooi)
  5. Ze is een ___ schrijfster van korte verhalen. (bekend)
  6. Ik zoek een ___ plek om te werken. (rustig)
  7. Hij gaf me een ___ advies over de verhuizing. (goed)
  8. Er is iets ___ met de wasmachine, hij doet het niet meer. (vreemd)
  9. De buurman gaf me een ___ handdruk. (vreemd)
  10. We zaten in de kantine met een ___ kopje koffie. (warm)
  11. Dat was een ___ nacht, om nooit te vergeten. (stil)
  12. We zoeken iemand met ___ ervaring in de zorg. (veel)