B1 · Adjectives & articles
Participles as adjectives
de gebroken telefoon, het gefundeerde idee…
- Mijn ___ telefoon doet het niet meer. (gebroken)
- De beheerder was erg ___ over de rommel in de gang. (geërgereerd)
- Dat is een ___ idee, maar het is moeilijk uit te voeren. (gefundeerd)
- De blikken stonden al ___ in de keuken. (geopend)
- Wie is verantwoordelijk voor het ___ huis? (verwaarloosd)
- Ik heb een ___ boek over de geschiedenis van de buurt. (gesigneerd)
- Met die ___ uitleg begreep niemand iets. (verward)
- De vergadering werd door de voorzitter ___ gesloten. (gesloten)
- Haar ___ reactie verraste iedereen in de kantine. (ontspannend)
- De overheid publiceerde een ___ rapport over de wijk. (onafhankelijk)
- De bewoners zijn ___ over het nieuwe plan. (ontevreden)
- We zagen een ___ kind bij de bushalte staan. (verdwaald)