Learn Dutch
B1 · Adjectives & articles

Participles as adjectives

de gebroken telefoon, het gefundeerde idee…

  1. Mijn ___ telefoon doet het niet meer. (gebroken)
  2. De beheerder was erg ___ over de rommel in de gang. (geërgereerd)
  3. Dat is een ___ idee, maar het is moeilijk uit te voeren. (gefundeerd)
  4. De blikken stonden al ___ in de keuken. (geopend)
  5. Wie is verantwoordelijk voor het ___ huis? (verwaarloosd)
  6. Ik heb een ___ boek over de geschiedenis van de buurt. (gesigneerd)
  7. Met die ___ uitleg begreep niemand iets. (verward)
  8. De vergadering werd door de voorzitter ___ gesloten. (gesloten)
  9. Haar ___ reactie verraste iedereen in de kantine. (ontspannend)
  10. De overheid publiceerde een ___ rapport over de wijk. (onafhankelijk)
  11. De bewoners zijn ___ over het nieuwe plan. (ontevreden)
  12. We zagen een ___ kind bij de bushalte staan. (verdwaald)