Learn Dutch
B1 · Adjectives & articles

Articles & pronouns: deze/dit, elk/elke, hem/het, ons/onze

Choosing the right form for de- and het-words.

  1. Ik vind ___ stoel mooier dan die daar.
  2. ___ kind krijgt een cadeautje.
  3. ___ week ga ik twee keer naar de sportschool.
  4. Waar is mijn telefoon? Ik kan ___ nergens vinden.
  5. Ik heb een nieuw boek gekocht, maar ik heb ___ nog niet gelezen.
  6. ___ huis is te klein geworden voor ons gezin.
  7. ___ buren hebben een nieuwe auto.
  8. Ken je de vrouw ___ daar bij de deur staat?
  9. Het boek ___ je me gaf, was erg spannend.
  10. Ik neem ___ appels, niet die daar.
  11. ___ water kun je niet drinken.
  12. Hoe heet ___ restaurant waar we vorige week waren?