B1 · Adjectives & articles
Articles & pronouns: deze/dit, elk/elke, hem/het, ons/onze
Choosing the right form for de- and het-words.
- Ik vind ___ stoel mooier dan die daar.
- ___ kind krijgt een cadeautje.
- ___ week ga ik twee keer naar de sportschool.
- Waar is mijn telefoon? Ik kan ___ nergens vinden.
- Ik heb een nieuw boek gekocht, maar ik heb ___ nog niet gelezen.
- ___ huis is te klein geworden voor ons gezin.
- ___ buren hebben een nieuwe auto.
- Ken je de vrouw ___ daar bij de deur staat?
- Het boek ___ je me gaf, was erg spannend.
- Ik neem ___ appels, niet die daar.
- ___ water kun je niet drinken.
- Hoe heet ___ restaurant waar we vorige week waren?