Learn Dutch
B1 · Adjectives & articles

Articles: de or het? Clues from the ending

-ing, -heid, -teit, -tie → de; -je, ge-, -isme, -ment, infinitives → het.

  1. ___ vergadering duurde twee uur.
  2. ___ meisje van de buren past op onze kinderen.
  3. ___ gezondheid van mijn vader is gelukkig goed.
  4. ___ zwemmen in de zee is hier verboden.
  5. ___ universiteit ligt buiten de stad.
  6. ___ gebouw is in 1920 gebouwd.
  7. ___ toerisme is belangrijk voor de stad.
  8. ___ informatie staat op de website.
  9. ___ lidmaatschap van de sportclub kost 200 euro per jaar.
  10. ___ wetenschap heeft daar nog geen antwoord op.
  11. Je moet ___ document nog ondertekenen.
  12. ___ geluid van de buren hoor ik elke avond.