Learn Dutch
B1 · Adjectives & articles

Adjectives: materials & -end participles

een houten tafel, plastic tassen, de stijgende prijzen.

  1. Ze draagt een ___ ring. (gouden)
  2. We hebben een ___ tafel voor de keuken gekocht. (houten)
  3. Die ___ tassen zijn slecht voor het milieu. (plastic)
  4. Pas op, dat is ___ water! (kokend)
  5. Er lag een ___ kind in de wieg. (slapend)
  6. De ___ prijzen maken het leven duurder. (stijgend)
  7. We zaten gezellig bij de ___ haard. (brandend)
  8. We zoeken een ___ oplossing voor dit probleem. (passend)
  9. In de ___ trein mag je niet meer instappen. (vertrekkend)
  10. Het ___ jaar was erg druk. (afgelopen)
  11. Hij heeft een zwarte ___ jas. (leren)
  12. Ik werd wakker van een ___ hond. (blaffend)