B1 · Adjectives & articles
Adjectives: materials & -end participles
een houten tafel, plastic tassen, de stijgende prijzen.
- Ze draagt een ___ ring. (gouden)
- We hebben een ___ tafel voor de keuken gekocht. (houten)
- Die ___ tassen zijn slecht voor het milieu. (plastic)
- Pas op, dat is ___ water! (kokend)
- Er lag een ___ kind in de wieg. (slapend)
- De ___ prijzen maken het leven duurder. (stijgend)
- We zaten gezellig bij de ___ haard. (brandend)
- We zoeken een ___ oplossing voor dit probleem. (passend)
- In de ___ trein mag je niet meer instappen. (vertrekkend)
- Het ___ jaar was erg druk. (afgelopen)
- Hij heeft een zwarte ___ jas. (leren)
- Ik werd wakker van een ___ hond. (blaffend)