B1 · Prepositions
In of op: waar is het?
In and op for place: spaces and surfaces.
- De afwas ligt nog ___ de gootsteen.
- We zaten ___ het terras van het café.
- Hij woont al tien jaar ___ een klein dorp in de Betuwe.
- De prijzen staan ___ het bord bij de ingang.
- De fietsen staan ___ de overdekte fietsenstalling bij het station.
- De brief lag ___ de mat bij de voordeur.
- De auto staat ___ de garage van mijn ouders.
- We legden het vloerkleed ___ de vloer van de woonkamer.
- Er staan veel boeken ___ de kast bij het raam.
- Zij zette de koekjes ___ een schoteltje.
- We vergaderden ___ de bibliotheek in de stad.
- De naam van de buurt staat ___ het straatnaambordje.