Learn Dutch
B1 · Prepositions

In of op: waar is het?

In and op for place: spaces and surfaces.

  1. De afwas ligt nog ___ de gootsteen.
  2. We zaten ___ het terras van het café.
  3. Hij woont al tien jaar ___ een klein dorp in de Betuwe.
  4. De prijzen staan ___ het bord bij de ingang.
  5. De fietsen staan ___ de overdekte fietsenstalling bij het station.
  6. De brief lag ___ de mat bij de voordeur.
  7. De auto staat ___ de garage van mijn ouders.
  8. We legden het vloerkleed ___ de vloer van de woonkamer.
  9. Er staan veel boeken ___ de kast bij het raam.
  10. Zij zette de koekjes ___ een schoteltje.
  11. We vergaderden ___ de bibliotheek in de stad.
  12. De naam van de buurt staat ___ het straatnaambordje.