Learn Dutch
B1 · Prepositions

Aan of op: dingen bevestigen

Aan and op with posters, signs and things on the wall.

  1. Er hangt een briefje ___ de deur van de buurman.
  2. De gemeente heeft een blauwe streep ___ het asfalt aangebracht.
  3. Haar jas hangt ___ de kapstok in de gang.
  4. We plakten de verjaardagsposters ___ de ramen van het lokaal.
  5. Het bord met de openingstijden hangt ___ de glazen deur.
  6. De familiefoto staat ___ de schouwmantel boven de haard.
  7. Er hangt een vlag ___ het raam van het gemeentehuis.
  8. De leraar schrijft de datum ___ het bord.
  9. De grote lichtreclame is ___ de gevel bevestigd.
  10. De naam van de winkel is ___ de etalage geschilderd.
  11. Hij legde zijn jas ___ de rugleuning van de stoel.
  12. De klok in de gang hangt ___ de muur naast de trap.