B1 · Prepositions
Aan of op: dingen bevestigen
Aan and op with posters, signs and things on the wall.
- Er hangt een briefje ___ de deur van de buurman.
- De gemeente heeft een blauwe streep ___ het asfalt aangebracht.
- Haar jas hangt ___ de kapstok in de gang.
- We plakten de verjaardagsposters ___ de ramen van het lokaal.
- Het bord met de openingstijden hangt ___ de glazen deur.
- De familiefoto staat ___ de schouwmantel boven de haard.
- Er hangt een vlag ___ het raam van het gemeentehuis.
- De leraar schrijft de datum ___ het bord.
- De grote lichtreclame is ___ de gevel bevestigd.
- De naam van de winkel is ___ de etalage geschilderd.
- Hij legde zijn jas ___ de rugleuning van de stoel.
- De klok in de gang hangt ___ de muur naast de trap.