B1 · Prepositions
Bij of naast: mensen en dingen
Bij for people and their place, naast for side by side.
- Mijn huis staat ___ het park, op tien minuten lopen.
- Ik eet vanavond ___ mijn ouders.
- Ze werkt ___ een bedrijf dat software voor ziekenhuizen levert.
- De fietsenrek staat ___ de ingang van het station.
- Deze zomer logeert ze ___ haar tante in Zeeland.
- In de bus zaten we ___ elkaar en konden we rustig praten.
- De bakker staat ___ de supermarkt in het winkelcentrum.
- Ik heb vanmorgen een afspraak ___ de huisarts.
- De kat ligt altijd ___ het bed van de kinderen.
- Op dinsdag is er een kringloopwinkel ___ de bibliotheek.
- Tijdens de pauze praten we ___ de koffiemachine.
- De tuin van de familie De Wit ligt ___ ons huis.