Learn Dutch
B1 · Prepositions

Bij of naast: mensen en dingen

Bij for people and their place, naast for side by side.

  1. Mijn huis staat ___ het park, op tien minuten lopen.
  2. Ik eet vanavond ___ mijn ouders.
  3. Ze werkt ___ een bedrijf dat software voor ziekenhuizen levert.
  4. De fietsenrek staat ___ de ingang van het station.
  5. Deze zomer logeert ze ___ haar tante in Zeeland.
  6. In de bus zaten we ___ elkaar en konden we rustig praten.
  7. De bakker staat ___ de supermarkt in het winkelcentrum.
  8. Ik heb vanmorgen een afspraak ___ de huisarts.
  9. De kat ligt altijd ___ het bed van de kinderen.
  10. Op dinsdag is er een kringloopwinkel ___ de bibliotheek.
  11. Tijdens de pauze praten we ___ de koffiemachine.
  12. De tuin van de familie De Wit ligt ___ ons huis.