Learn Dutch
B1 · Prepositions

Onder en boven: hoger of lager

Under and above: what is lower or higher.

  1. Het ijs ligt ___ het water van het meer.
  2. Onze fietsen staan ___ de oude brug.
  3. De sokken liggen ___ het bed.
  4. De lamp hangt ___ de eettafel.
  5. Deze spiegel hangt ___ de lage kast in de hal.
  6. De redder hangt ___ het bed, zodat hij 's nachts snel kan opspringen.
  7. De wc is ___ de badkamer gebouwd.
  8. Er stond een oude motor ___ de kap van de auto.
  9. De overkapping van het perron is ___ de sporen.
  10. De vogel vliegt ___ de top van de boom.
  11. Ik vond mijn portemonnee ___ de bank.
  12. De boeken ___ op de stapel zijn van mijn zus.