B1 · Prepositions
Onder en boven: hoger of lager
Under and above: what is lower or higher.
- Het ijs ligt ___ het water van het meer.
- Onze fietsen staan ___ de oude brug.
- De sokken liggen ___ het bed.
- De lamp hangt ___ de eettafel.
- Deze spiegel hangt ___ de lage kast in de hal.
- De redder hangt ___ het bed, zodat hij 's nachts snel kan opspringen.
- De wc is ___ de badkamer gebouwd.
- Er stond een oude motor ___ de kap van de auto.
- De overkapping van het perron is ___ de sporen.
- De vogel vliegt ___ de top van de boom.
- Ik vond mijn portemonnee ___ de bank.
- De boeken ___ op de stapel zijn van mijn zus.