B1 · Prepositions
Tussen en om: twee kanten
Between two things and all the way around something.
- We liepen ___ het oude stadshuis heen voordat het begon te regenen.
- De supermarkt ligt ___ de school en het station.
- Zij sloeg haar armen ___ haar oude vriend heen.
- De prijs van de tweedehands fiets lag ___ 200 en 250 euro.
- De bus rijdt ___ de oude binnenstad heen.
- Hij werkte ___ 2019 en 2023 bij de gemeente.
- ___ de lunch en de vergadering had ik nog een half uur vrij.
- De leerlingen holden ___ de kerk heen om de klok te bekijken.
- Zij zat ___ de twee andere kandidaten aan tafel.
- We zwommen ___ het eiland heen en kwamen aan de andere kant terug.
- De straat loopt ___ het park en het oude kerkje.
- De wedstrijd begint ___ half zeven en duurt twee uur.