Learn Dutch
B1 · Prepositions

Tussen en om: twee kanten

Between two things and all the way around something.

  1. We liepen ___ het oude stadshuis heen voordat het begon te regenen.
  2. De supermarkt ligt ___ de school en het station.
  3. Zij sloeg haar armen ___ haar oude vriend heen.
  4. De prijs van de tweedehands fiets lag ___ 200 en 250 euro.
  5. De bus rijdt ___ de oude binnenstad heen.
  6. Hij werkte ___ 2019 en 2023 bij de gemeente.
  7. ___ de lunch en de vergadering had ik nog een half uur vrij.
  8. De leerlingen holden ___ de kerk heen om de klok te bekijken.
  9. Zij zat ___ de twee andere kandidaten aan tafel.
  10. We zwommen ___ het eiland heen en kwamen aan de andere kant terug.
  11. De straat loopt ___ het park en het oude kerkje.
  12. De wedstrijd begint ___ half zeven en duurt twee uur.