B1 · Prepositions
In de buurt van: de omgeving
In de buurt van, in de omgeving van, vlak bij.
- Er is een kleine bibliotheek ___ het sportpark.
- We zoeken een huis ___ het centrum, maar niet midden in de stad.
- Woont er iemand ___ het station die een fiets kan lenen?
- Er is een grote parkeerplaats ___ de haven.
- Mijn zus woont ___ haar werk, in dezelfde straat.
- Er ligt een prachtig natuurgebied in de omgeving ___ het dorp.
- Er wonen nogal wat studenten ___ het universiteitsterrein.
- Is er een supermarkt ___ ons flatgebouw?
- Het strand ligt ___ de duinen, je loopt er in tien minuten heen.
- Het is 's ochtends altijd druk in de buurt ___ het kantoorgebouw.
- ___ het treinstation vind je nog een paar goedkope hotels.
- Er is iets raars in de buurt ___ het station: de verlichting werkt er niet.