Learn Dutch
B1 · Prepositions

In de buurt van: de omgeving

In de buurt van, in de omgeving van, vlak bij.

  1. Er is een kleine bibliotheek ___ het sportpark.
  2. We zoeken een huis ___ het centrum, maar niet midden in de stad.
  3. Woont er iemand ___ het station die een fiets kan lenen?
  4. Er is een grote parkeerplaats ___ de haven.
  5. Mijn zus woont ___ haar werk, in dezelfde straat.
  6. Er ligt een prachtig natuurgebied in de omgeving ___ het dorp.
  7. Er wonen nogal wat studenten ___ het universiteitsterrein.
  8. Is er een supermarkt ___ ons flatgebouw?
  9. Het strand ligt ___ de duinen, je loopt er in tien minuten heen.
  10. Het is 's ochtends altijd druk in de buurt ___ het kantoorgebouw.
  11. ___ het treinstation vind je nog een paar goedkope hotels.
  12. Er is iets raars in de buurt ___ het station: de verlichting werkt er niet.