Learn Dutch
B1 · Prepositions

Om: kloktijd en ogenblikken

Om with clock time, moments and turns.

  1. De vergadering begint ___ half tien.
  2. We vertrekken ___ kwart voor zeven, want de trein gaat om zeven.
  3. De film begint ___ tien over negen.
  4. Hij belt me ___ drie uur, dus ik ben precies op tijd.
  5. We eten 's avonds ___ half acht.
  6. De zon komt ___ zes uur op, dus we hebben een vroege start.
  7. Zij was ___ de beurt aan het woord in de vergadering.
  8. De trein vertrekt ___ tien uur twintig van perron drie.
  9. Ze heeft ___ kwart voor negen een afspraak bij de bank.
  10. We moeten ___ half twaalf weg zijn, anders missen we de bus.
  11. Ze deed het ___ haar dochter te verrassen met een reisje.
  12. De vergadering begint ___ kwart over negen, dus kom een kwartier eerder.