Learn Dutch
B1 · Prepositions

Op: dagen, data en feestdagen

Op with days, dates, holidays and fixed phrases.

  1. De vergadering is ___ dinsdag om tien uur.
  2. Mijn verjaardag valt ___ 3 mei.
  3. ___ Tweede Kerstdag gaan we naar oma.
  4. Hij komt nooit ___ tijd, hij belt altijd te laat.
  5. De klas vertrekt ___ 8 juni voor een week naar Zeeland.
  6. Wij zijn de hele week ___ vakantie en hebben thuis een oppas.
  7. Het is ___ zondagavond rustig in de straat.
  8. Ze trouwen ___ 14 mei in de oude kerk.
  9. Hij is ___ maandag thuis, want hij is ziek.
  10. Ik heb die film al ___ de eerste keer gezien, hij is echt goed.
  11. De prijzen ___ de markt zijn lager dan in de supermarkt.
  12. De bibliotheek is ___ dinsdag open tot acht uur 's avonds.