B1 · Prepositions
Op: dagen, data en feestdagen
Op with days, dates, holidays and fixed phrases.
- De vergadering is ___ dinsdag om tien uur.
- Mijn verjaardag valt ___ 3 mei.
- ___ Tweede Kerstdag gaan we naar oma.
- Hij komt nooit ___ tijd, hij belt altijd te laat.
- De klas vertrekt ___ 8 juni voor een week naar Zeeland.
- Wij zijn de hele week ___ vakantie en hebben thuis een oppas.
- Het is ___ zondagavond rustig in de straat.
- Ze trouwen ___ 14 mei in de oude kerk.
- Hij is ___ maandag thuis, want hij is ziek.
- Ik heb die film al ___ de eerste keer gezien, hij is echt goed.
- De prijzen ___ de markt zijn lager dan in de supermarkt.
- De bibliotheek is ___ dinsdag open tot acht uur 's avonds.