B1 · Prepositions
In: maanden, jaren en seizoenen
In with months, years, seasons and longer periods.
- Mijn oma is ___ 1952 geboren.
- We gaan ___ mei met vakantie naar de kust.
- Het is koud ___ de winter, maar ook in maart.
- De cursus begint ___ januari en duurt tien weken.
- De belastingaanslag komt elk jaar ___ maart.
- We zullen elkaar ___ het voorjaar weerzien.
- Hij werkte daar ___ de jaren negentig, toen hij in de haven werkte.
- Deze cursus duurt ___ vier maanden en kost 600 euro.
- De elektriciteitstoren is ___ 1980 gebouwd.
- Ze begint ___ september medische wetenschappen te studeren.
- De meeste toeristen komen ___ de zomer, in juli en augustus.
- Mijn grootvader is ___ de oorlog geboren.