B1 · Prepositions
Voor: termijnen en geschenken
Voor with deadlines, periods of time and things for people.
- Kun je dit rapport ___ vrijdag inleveren?
- Ik heb de cursus ___ drie maanden geleden gevolgd.
- We vertrekken ___ de zomer naar Kreta.
- Ze stond al een half uur ___ het loket te wachten.
- Er ligt een cadeaubon ___ vijfentwintig euro op het bureau.
- Ik heb een abonnement ___ drie maanden, niet voor het hele jaar.
- Bedankt ___ je hulp bij de verhuizing, je was een zegen in nood.
- Die jas stond ___ tachtig euro in de uitverkoop.
- Ik heb nog twee weken ___ het herexamen, dus ik moet beginnen.
- Er ligt een briefje ___ jou op de keukentafel.
- Hij heeft ___ een maand in het ziekenhuis gelegen.
- Ze is ___ haar vakantie thuisgebleven om geld te sparen.