Learn Dutch
B1 · Prepositions

Voor: termijnen en geschenken

Voor with deadlines, periods of time and things for people.

  1. Kun je dit rapport ___ vrijdag inleveren?
  2. Ik heb de cursus ___ drie maanden geleden gevolgd.
  3. We vertrekken ___ de zomer naar Kreta.
  4. Ze stond al een half uur ___ het loket te wachten.
  5. Er ligt een cadeaubon ___ vijfentwintig euro op het bureau.
  6. Ik heb een abonnement ___ drie maanden, niet voor het hele jaar.
  7. Bedankt ___ je hulp bij de verhuizing, je was een zegen in nood.
  8. Die jas stond ___ tachtig euro in de uitverkoop.
  9. Ik heb nog twee weken ___ het herexamen, dus ik moet beginnen.
  10. Er ligt een briefje ___ jou op de keukentafel.
  11. Hij heeft ___ een maand in het ziekenhuis gelegen.
  12. Ze is ___ haar vakantie thuisgebleven om geld te sparen.