Learn Dutch
B1 · Prepositions

Tijdens en gedurende

Tijdens and gedurende with an event or a period.

  1. Zij mag niet bellen ___ het eten.
  2. ___ de oorlog was er in het noorden grote schaarste.
  3. Hij heeft zijn opleiding ___ twee jaar gevolgd.
  4. ___ de vergadering was het ongelooflijk stil in de zaal.
  5. ___ heel 2024 was er in het dorp geen vuurwerk.
  6. Mag ik ___ de les even naar het toilet?
  7. ___ de herinrichting bleef de bibliotheek gewoon open.
  8. Hij belde me ___ ik in de file stond en vroeg of hij iets kon brengen.
  9. ___ zijn/haar verblijf in het buitenland heeft ze Nederlands geleerd.
  10. ___ het toernooi waren er duizenden toeschouwers.
  11. ___ de eerste weken na de verhuizing sliep hij slecht.
  12. Zij vertelde het verhaal ___ de koffie, alsof het spannend was.