B1 · Prepositions
Tijdens en gedurende
Tijdens and gedurende with an event or a period.
- Zij mag niet bellen ___ het eten.
- ___ de oorlog was er in het noorden grote schaarste.
- Hij heeft zijn opleiding ___ twee jaar gevolgd.
- ___ de vergadering was het ongelooflijk stil in de zaal.
- ___ heel 2024 was er in het dorp geen vuurwerk.
- Mag ik ___ de les even naar het toilet?
- ___ de herinrichting bleef de bibliotheek gewoon open.
- Hij belde me ___ ik in de file stond en vroeg of hij iets kon brengen.
- ___ zijn/haar verblijf in het buitenland heeft ze Nederlands geleerd.
- ___ het toernooi waren er duizenden toeschouwers.
- ___ de eerste weken na de verhuizing sliep hij slecht.
- Zij vertelde het verhaal ___ de koffie, alsof het spannend was.