Learn Dutch
B1 · Prepositions

Binnen en over: termijnen

Binnen a deadline, over a period of time.

  1. De aanmelding moet ___ vrijdag binnen zijn.
  2. ___ de zomer werkt ze in een vakantiepark.
  3. We moeten de hele woning schilderen ___ drie dagen.
  4. ___ het hele jaar door staat er een container in de straat.
  5. De rekening moet ___ twee weken betaald zijn.
  6. ___ een jaar hoop ik een eigen huis te hebben.
  7. De aanvraag moet ___ vijf werkdagen behandeld zijn.
  8. ___ de laatste tien jaar is de stad veel groter geworden.
  9. Hij levert het rapport ___ woensdag in, zoals afgesproken.
  10. ___ een maand begint de opleiding in Groningen.
  11. We moeten het huis ___ eind mei klaar hebben voor de verhuurders.
  12. ___ de vakantie hebben ze de hele flat opgeknapt.