B1 · Prepositions
Binnen en over: termijnen
Binnen a deadline, over a period of time.
- De aanmelding moet ___ vrijdag binnen zijn.
- ___ de zomer werkt ze in een vakantiepark.
- We moeten de hele woning schilderen ___ drie dagen.
- ___ het hele jaar door staat er een container in de straat.
- De rekening moet ___ twee weken betaald zijn.
- ___ een jaar hoop ik een eigen huis te hebben.
- De aanvraag moet ___ vijf werkdagen behandeld zijn.
- ___ de laatste tien jaar is de stad veel groter geworden.
- Hij levert het rapport ___ woensdag in, zoals afgesproken.
- ___ een maand begint de opleiding in Groningen.
- We moeten het huis ___ eind mei klaar hebben voor de verhuurders.
- ___ de vakantie hebben ze de hele flat opgeknapt.