Learn Dutch
B1 · Prepositions

Staan: waar staat het?

Prepositions of place with the verb staan.

  1. De bus staat ___ de haltestoe aan de overkant.
  2. Er stond een lange rij ___ het loket.
  3. De schilderij staat ___ de schouwmantel, tegen de muur.
  4. Er stond een bordje ___ de halte met de vertrektijden.
  5. Het rek met fietsen staat ___ het station, tegenover het restaurant.
  6. De kinderen staan ___ de oude stenen, op het gras.
  7. De fotograaf stond ___ het publiek en maakte foto's.
  8. Er stond een container ___ de straat, midden in de weg.
  9. De nota's staan ___ het prijsbordje bij de kassa.
  10. Wij stonden ___ de toeschouwers en konden de wedstrijd goed zien.
  11. De eerstehulpauto stond ___ het gebouw, klaar voor een noodgeval.
  12. De fietsen staan ___ de fietsenrek in de stalling.