B1 · Prepositions
Staan: waar staat het?
Prepositions of place with the verb staan.
- De bus staat ___ de haltestoe aan de overkant.
- Er stond een lange rij ___ het loket.
- De schilderij staat ___ de schouwmantel, tegen de muur.
- Er stond een bordje ___ de halte met de vertrektijden.
- Het rek met fietsen staat ___ het station, tegenover het restaurant.
- De kinderen staan ___ de oude stenen, op het gras.
- De fotograaf stond ___ het publiek en maakte foto's.
- Er stond een container ___ de straat, midden in de weg.
- De nota's staan ___ het prijsbordje bij de kassa.
- Wij stonden ___ de toeschouwers en konden de wedstrijd goed zien.
- De eerstehulpauto stond ___ het gebouw, klaar voor een noodgeval.
- De fietsen staan ___ de fietsenrek in de stalling.