Learn Dutch
B1 · Prepositions

Liegen: waar ligt het?

Prepositions of place with the verb liggen.

  1. Het boek lag ___ de tafel, half onder de krant.
  2. Er lagen drie enveloppen ___ de deur op de mat.
  3. Mijn sleutels lagen ___ de vloer, bij de deur.
  4. De jas lag ___ het bed, want hij had hem daar neergelegd.
  5. De kat lag ___ de bank, boven op de kussen.
  6. Het fotoboek lag nog ___ de salontafel.
  7. De pil lagen ___ het kastje, naast de tandpastatjes.
  8. De rommel lag ___ het huis, de hele kamer bijna vol.
  9. De vingerafdrukken lagen ___ het glas van het raam.
  10. Het zeilbootje lag ___ de steiger in de haven.
  11. De kranten lagen ___ de bank in de bus.
  12. Er lagen verschillende mappen ___ het bureau van de directeur.