B1 · Prepositions
Liegen: waar ligt het?
Prepositions of place with the verb liggen.
- Het boek lag ___ de tafel, half onder de krant.
- Er lagen drie enveloppen ___ de deur op de mat.
- Mijn sleutels lagen ___ de vloer, bij de deur.
- De jas lag ___ het bed, want hij had hem daar neergelegd.
- De kat lag ___ de bank, boven op de kussen.
- Het fotoboek lag nog ___ de salontafel.
- De pil lagen ___ het kastje, naast de tandpastatjes.
- De rommel lag ___ het huis, de hele kamer bijna vol.
- De vingerafdrukken lagen ___ het glas van het raam.
- Het zeilbootje lag ___ de steiger in de haven.
- De kranten lagen ___ de bank in de bus.
- Er lagen verschillende mappen ___ het bureau van de directeur.