B1 · Prepositions
Hangen: waar hangt het?
Prepositions of place with the verb hangen.
- Het schilderij hangt ___ de muur boven de schouw.
- De lamp hangt ___ de eettafel, recht boven het midden.
- Er hangt een vlag ___ de gevel van het gemeentehuis.
- Een keukenlamp hangt meestal ___ het plafond.
- ___ het raam van de woonkamer hangt een dik gordijn.
- De waslijn hangt ___ de tuin, met de was erop.
- Er hangt een pakje worsten ___ de lijn in de keuken.
- De kristallen lamp hangt ___ het kastje boven het bed.
- Haar sjaal hangt ___ de stoel bij de deur.
- De klok hangt ___ de zuil in de gang van het ziekenhuis.
- De vlag hangt half ___ de mast, want het waait hard.
- Deze moderne lamp hangt ___ een lange kabel aan het plafond.