Learn Dutch
B1 · Prepositions

Hangen: waar hangt het?

Prepositions of place with the verb hangen.

  1. Het schilderij hangt ___ de muur boven de schouw.
  2. De lamp hangt ___ de eettafel, recht boven het midden.
  3. Er hangt een vlag ___ de gevel van het gemeentehuis.
  4. Een keukenlamp hangt meestal ___ het plafond.
  5. ___ het raam van de woonkamer hangt een dik gordijn.
  6. De waslijn hangt ___ de tuin, met de was erop.
  7. Er hangt een pakje worsten ___ de lijn in de keuken.
  8. De kristallen lamp hangt ___ het kastje boven het bed.
  9. Haar sjaal hangt ___ de stoel bij de deur.
  10. De klok hangt ___ de zuil in de gang van het ziekenhuis.
  11. De vlag hangt half ___ de mast, want het waait hard.
  12. Deze moderne lamp hangt ___ een lange kabel aan het plafond.