B1 · Prepositions
Zitten: waar zit het?
Prepositions of place with the verb zitten.
- We zaten ___ tafel toen de telefoon ging.
- Hij zit ___ de bestuurdersstoel van de nieuwe auto.
- De kinderen zitten ___ de keukentafel en tekenen.
- We zaten ___ de bank voor de televisie.
- De kat zit altijd ___ het raam en kijkt naar buiten.
- Wij zitten ___ het zwembad in het zwembad De Dolfijn.
- Hij zat urenlang ___ de bushalte op de koude regen te wachten.
- Mijn bril zit ___ de boekenkast, bij de radio.
- De klas zit ___ rijen, met de docent vooraan.
- Zij zit al drie jaar ___ het bestuur van de buurtvereniging.
- Hij zit ___ het dak van de garage te repareren.
- Ze zit ___ de kant van het zwembad te wachten tot haar dochter klaar is.