Learn Dutch
B1 · Prepositions

Zitten: waar zit het?

Prepositions of place with the verb zitten.

  1. We zaten ___ tafel toen de telefoon ging.
  2. Hij zit ___ de bestuurdersstoel van de nieuwe auto.
  3. De kinderen zitten ___ de keukentafel en tekenen.
  4. We zaten ___ de bank voor de televisie.
  5. De kat zit altijd ___ het raam en kijkt naar buiten.
  6. Wij zitten ___ het zwembad in het zwembad De Dolfijn.
  7. Hij zat urenlang ___ de bushalte op de koude regen te wachten.
  8. Mijn bril zit ___ de boekenkast, bij de radio.
  9. De klas zit ___ rijen, met de docent vooraan.
  10. Zij zit al drie jaar ___ het bestuur van de buurtvereniging.
  11. Hij zit ___ het dak van de garage te repareren.
  12. Ze zit ___ de kant van het zwembad te wachten tot haar dochter klaar is.