B1 · Prepositions
Het werkwoord aan
Verbs that take aan: denken aan, doen aan, houden aan.
- Ik denk vaak ___ jou en aan het dorp waar ik woonde.
- Hij doet ___ alsof hij alles weet, maar hij is net zo onzeker als wij.
- Ik houd de sjaal ___ de omslagdoek, want het is koud.
- Ze hielp ___ het opzetten van de tent in de regen.
- Ik moest me ___ het spreken van Nederlands wennen.
- Hij lijkt ___ zijn vader, maar zijn zus niet.
- We moeten ons houden ___ de afspraken, anders komt het mis.
- Ze denkt vaak ___ een eigen bedrijf, het is haar grote plan.
- Ik heb er lang over nagedacht, ___ een andere baan te zoeken.
- We moeten hier samen ___ en elkaar blijven steunen.
- Hij houdt zich ___ de regels, anders krijgt hij een boete.
- We dachten ___ het probleem oplossen, maar dat lukte niet.