Learn Dutch
B1 · Prepositions

Het werkwoord aan

Verbs that take aan: denken aan, doen aan, houden aan.

  1. Ik denk vaak ___ jou en aan het dorp waar ik woonde.
  2. Hij doet ___ alsof hij alles weet, maar hij is net zo onzeker als wij.
  3. Ik houd de sjaal ___ de omslagdoek, want het is koud.
  4. Ze hielp ___ het opzetten van de tent in de regen.
  5. Ik moest me ___ het spreken van Nederlands wennen.
  6. Hij lijkt ___ zijn vader, maar zijn zus niet.
  7. We moeten ons houden ___ de afspraken, anders komt het mis.
  8. Ze denkt vaak ___ een eigen bedrijf, het is haar grote plan.
  9. Ik heb er lang over nagedacht, ___ een andere baan te zoeken.
  10. We moeten hier samen ___ en elkaar blijven steunen.
  11. Hij houdt zich ___ de regels, anders krijgt hij een boete.
  12. We dachten ___ het probleem oplossen, maar dat lukte niet.