Learn Dutch
B1 · Prepositions

Het werkwoord door

Verbs that take door: doorgaan, doorvragen, doorbreken.

  1. We gaan ___ met het plan, de bewoners willen het anders.
  2. Zij vrage steeds verder ___ de reden van het uitstel.
  3. De oude vensterruit is ___ de vorst gebarsten.
  4. Ik heb ___ de hele ochtend gebeld, niemand nam op.
  5. Wij moeten eerst het contract ___ met de gemeente.
  6. Hij liep ___ de oude binnenstad en maakte foto's.
  7. We hebben het voorstel doorgesproken ___ de buurt en stemmen erover.
  8. Het voorstel is ___ de raad gekomen, maar de stemming was onduidelijk.
  9. De overheid wil de regels ___ voor de huurmarkt.
  10. Hoe ben je er ___ gekomen dat je hier woont?
  11. Ze keek ___ de oude foto's en werd emotioneel.
  12. De zaak is ___ de oude excuses bij de rechter gekomen.