B1 · Prepositions
Het werkwoord voor
Verbs that take voor: zorgen voor, kiezen voor.
- Zij zorgt ___ de drie kinderen van haar zus.
- Wij kozen ___ de goedkoopste oplossing, want het budget was krap.
- Heb je betaald ___ de kaartjes voor het theater?
- Hij vroeg ___ de directeur om een gesprek, want hij wilde weten of de baan beschikbaar was.
- De meeste bewoners stemden ___ het nieuwe plan, het won langs de snelweg.
- Ik ben ___ een lagere prijs, want het is echt te duur.
- Ze vocht ___ de rechten van de werknemers.
- Hij betaalt ___ de huur van zijn zus, ze heeft het moeilijk.
- We hebben al drie keer gevraagd om een gesprek ___ de woningbouwvereniging.
- Hij zorgde goed ___ de tuin, die is er mooi op na.
- De bond straft de clubs die te laat spelen ___ een boete van vijfhonderd euro.
- Ik ben niet ___ verhuisen, het huis bevalt me goed.