Learn Dutch
B1 · Prepositions

Het werkwoord voor

Verbs that take voor: zorgen voor, kiezen voor.

  1. Zij zorgt ___ de drie kinderen van haar zus.
  2. Wij kozen ___ de goedkoopste oplossing, want het budget was krap.
  3. Heb je betaald ___ de kaartjes voor het theater?
  4. Hij vroeg ___ de directeur om een gesprek, want hij wilde weten of de baan beschikbaar was.
  5. De meeste bewoners stemden ___ het nieuwe plan, het won langs de snelweg.
  6. Ik ben ___ een lagere prijs, want het is echt te duur.
  7. Ze vocht ___ de rechten van de werknemers.
  8. Hij betaalt ___ de huur van zijn zus, ze heeft het moeilijk.
  9. We hebben al drie keer gevraagd om een gesprek ___ de woningbouwvereniging.
  10. Hij zorgde goed ___ de tuin, die is er mooi op na.
  11. De bond straft de clubs die te laat spelen ___ een boete van vijfhonderd euro.
  12. Ik ben niet ___ verhuisen, het huis bevalt me goed.