Learn Dutch
B1 · Prepositions

Het werkwoord met

Verbs that take met: praten met, rekening met, helpen.

  1. Ik wil even ___ je praten over de cursus.
  2. We moeten rekening ___ houden met de drukte in de binnenstad.
  3. Kun je me helpen ___ de dozen naar beneden dragen?
  4. Hij kan niet goed omgaan ___ de veranderingen in het werk.
  5. We hebben het lang ___ moeten wachten op de vergunning.
  6. Zij sprak lang ___ haar baas over de werkdruk.
  7. Die uitspraak houdt geen rekening ___ de werkelijkheid.
  8. Wij moeten rekening houden ___ de deadlines, de procedure duurt maanden.
  9. Er is iets misgegaan ___ het meten van de oppervlakte.
  10. Hij moet omgaan ___ de gevolgen van zijn eigen keuze.
  11. Kun jij de ouders bellen ___ de uitje?
  12. Wij delen de kosten ___ de drie huishoudens in de straat.