B1 · Prepositions
Over: abstracte betekenis
Over with abstract nouns: bang, kwaad, blij.
- Hij is boos ___ de buurt omdat de vuilniszakken niet werden opgehaald.
- Zij heeft angst ___ het donker, ze slaapt met het licht aan.
- Heel veel mensen zijn bang ___ de prijzen van het huishouden.
- Het gemeentebestuur is tevreden ___ het resultaat van de renovatie.
- De hele buurt was blij ___ het nieuwe speelplein.
- Hij is jaloers ___ zijn broer, die net een huis heeft gekocht.
- Ze was ziek ___ de hele week en miste de vergadering.
- We hebben ons al lang zorgen gemaakt ___ de ontwikkeling van de wijk.
- De directeur was verontwaardigd ___ de manier van werken van het team.
- Ik ben nieuwsgierig ___ hoe het met jou gaat sinds de verhuizing.
- De buurt is opgetogen ___ het nieuwe zwembad, het is al jaren een wens.
- Ze is ontstemd ___ de leiding, die de beloftes niet nakwam.