Learn Dutch
B1 · Prepositions

Over: abstracte betekenis

Over with abstract nouns: bang, kwaad, blij.

  1. Hij is boos ___ de buurt omdat de vuilniszakken niet werden opgehaald.
  2. Zij heeft angst ___ het donker, ze slaapt met het licht aan.
  3. Heel veel mensen zijn bang ___ de prijzen van het huishouden.
  4. Het gemeentebestuur is tevreden ___ het resultaat van de renovatie.
  5. De hele buurt was blij ___ het nieuwe speelplein.
  6. Hij is jaloers ___ zijn broer, die net een huis heeft gekocht.
  7. Ze was ziek ___ de hele week en miste de vergadering.
  8. We hebben ons al lang zorgen gemaakt ___ de ontwikkeling van de wijk.
  9. De directeur was verontwaardigd ___ de manier van werken van het team.
  10. Ik ben nieuwsgierig ___ hoe het met jou gaat sinds de verhuizing.
  11. De buurt is opgetogen ___ het nieuwe zwembad, het is al jaren een wens.
  12. Ze is ontstemd ___ de leiding, die de beloftes niet nakwam.