Learn Dutch
B1 · Prepositions

In: abstracte betekenis

In with abstract nouns: vertrouwen, belang, verschil.

  1. Er is weinig vertrouwen ___ de nieuwe plannen van de gemeente.
  2. Hij heeft veel belangstelling ___ geschiedenis en oude gebouwen.
  3. Het grote verschil ___ de twee aanbiedingen is de prijs.
  4. De betrokkenheid ___ het project van de buurt is groot, veel mensen helpen mee.
  5. We moeten ons in de problemen ___ de buren niet in de weg zitten.
  6. Hij is ___ de war met de nieuwe regels, hij begrijpt er niets van.
  7. Deze opdracht vraagt veel inzet en toewijding ___ de deelnemers.
  8. Het vertrouwen ___ de nieuwe plannen van de gemeente is nog klein.
  9. Haar mening ___ het nieuwe beleid verschilt van die van de wethouder.
  10. De winkel heeft geen enkele aandacht ___ de klanten, het is er altijd druk.
  11. Hij stelde vragen ___ de manier waarop het geld werd besteed.
  12. Zij is betrokken ___ het werk in de buurt en helpt vaak mee.