Learn Dutch
B1 · Prepositions

Vanwege en ondanks

Vanwege for a reason, ondanks in spite of.

  1. ___ het slechte weer was de uitgang van het festival verplaatst.
  2. ___ de regen gingen we toch op stap, de kinderen vonden het leuk.
  3. De vergadering is uitgesteld ___ een te kleine zaal.
  4. ___ zijn gewonde been moest hij de hele week in huis blijven.
  5. ___ de waarschuwing van de brandweer gingen sommigen toch het bos in.
  6. ___ de hoge temperaturen geldt er vandaag een hitteplan.
  7. ___ hij was ziek, kon hij niet komen, dat begreep iedereen.
  8. ___ de slechte start wonnen ze de wedstrijd.
  9. ___ het slechte weer werd de vlucht geannuleerd.
  10. ___ alle tegenslag bleef de winkel open, dat is typisch voor haar.
  11. ___ de kleine opkomst is de bijeenkomst verplaatst naar een andere dag.
  12. ___ dat hij ziek was, kwam hij toch op het uitje.