Learn Dutch
B1 · Prepositions

Behalve en inclusief

Behalve for except, inclusief and exclusief for including.

  1. De winkel is ___ zaterdag en zondag gesloten.
  2. De prijs is 25 euro, ___ btw.
  3. Alle bezoekers krijgen een consumptiebon, ___ kinderen jonger dan vier jaar.
  4. De parkeerplaats is betaald, ___ bewoners met een vergunning.
  5. Het abonnement kost 40 euro per maand, ___ de installatiekosten.
  6. We nemen twee kamers, ___ een suite voor het bruidspaar.
  7. De rondleiding is in het Engels, ___ een korte Nederlandse samenvatting.
  8. Iedereen is welkom, ___ de honden, die hebben hun eigen terrein.
  9. De prijs is 12,50 euro, ___ de btw, dus u betaalt 15,13.
  10. Deze week is iedereen vrij, ___ de vrijdag, dan is het feest.
  11. De kaart kost 15 euro en is geldig voor het hele jaar, ___ 1 januari.
  12. Er is parkeergelegenheid, ___ op zondag is het gratis.