Learn Dutch
B1 · Prepositions

Achter en voor: posities

Behind and in front of, and voor before a moment.

  1. De kinderen spelen ___ het huis, achter de schutting.
  2. Er staat een bord ___ de ingang van het station.
  3. We stonden ___ de rij bij het loket.
  4. De auto staat ___ het huis geparkeerd.
  5. De fietsen staan ___ het kantoorgebouw van de gemeente.
  6. Verstop het pakketje ___ de deur, dan ziet niemand het.
  7. Hij stond al een half uur ___ de deur van het kantoor te wachten.
  8. ___ het einde van de avond regende het overal in het land.
  9. De winkel ging ___ de lunch dicht.
  10. Er ligt een grote parkeerplaats ___ het station.
  11. ___ het eten waste hij zijn handen.
  12. De eerste prijs is ___ de beste deelnemer van de wedstrijd.