B1 · Prepositions
Achter en voor: posities
Behind and in front of, and voor before a moment.
- De kinderen spelen ___ het huis, achter de schutting.
- Er staat een bord ___ de ingang van het station.
- We stonden ___ de rij bij het loket.
- De auto staat ___ het huis geparkeerd.
- De fietsen staan ___ het kantoorgebouw van de gemeente.
- Verstop het pakketje ___ de deur, dan ziet niemand het.
- Hij stond al een half uur ___ de deur van het kantoor te wachten.
- ___ het einde van de avond regende het overal in het land.
- De winkel ging ___ de lunch dicht.
- Er ligt een grote parkeerplaats ___ het station.
- ___ het eten waste hij zijn handen.
- De eerste prijs is ___ de beste deelnemer van de wedstrijd.