Learn Dutch
B1 · Prepositions

Tegen: strijd, hulp en weerstand

Prepositional verbs with tegen: fight, help, protect.

  1. De politie strijdt ___ het zinloze geweld in de grote steden.
  2. Het schip botste ___ een rots in de mist.
  3. Een warm bad helpt ___ de pijn in je rug.
  4. Deze crème werkt ___ de droge huid.
  5. Hij verdedigde zich ___ de kritiek van zijn collega.
  6. We moeten ons wapenen ___ een strenge winter.
  7. Het medicijn is een goed middel ___ de koorts.
  8. De buurt keert zich ___ het plan om de brug te sluiten.
  9. De verhuurder verzet zich ___ de huurverhoging van tien procent.
  10. De fysiotherapeut waarschuwde haar dat de oefeningen niet bestand zijn ___ de nieuwe knie.
  11. De buurt protesteerde ___ het besluit om de parkeerplaats op te heffen.
  12. Zij kon zich niet verzetten ___ de druk van haar familie.