B1 · Prepositions
Tegen: strijd, hulp en weerstand
Prepositional verbs with tegen: fight, help, protect.
- De politie strijdt ___ het zinloze geweld in de grote steden.
- Het schip botste ___ een rots in de mist.
- Een warm bad helpt ___ de pijn in je rug.
- Deze crème werkt ___ de droge huid.
- Hij verdedigde zich ___ de kritiek van zijn collega.
- We moeten ons wapenen ___ een strenge winter.
- Het medicijn is een goed middel ___ de koorts.
- De buurt keert zich ___ het plan om de brug te sluiten.
- De verhuurder verzet zich ___ de huurverhoging van tien procent.
- De fysiotherapeut waarschuwde haar dat de oefeningen niet bestand zijn ___ de nieuwe knie.
- De buurt protesteerde ___ het besluit om de parkeerplaats op te heffen.
- Zij kon zich niet verzetten ___ de druk van haar familie.